Marie Henry Mackenzie (1879-1961) 

  • Het Kolkje te Amsterdam
  • Olieverf op doek, 70 x 50 cm                 VERKOCHT
  • Gesigneerd r.o.
  • Herkomst: Roelofs kunsthandel te Amsterdam, factuur 3082
                      Kunsthandel Bethe van der Pol te Amsterdam

De schilder M.H. Mackenzie
 
Over de schilder M.H. Mackenzie is slechts weinig bekend. Tijdens zijn leven exposeerde hij pas op latere leeftijd en na zijn dood werd er slechts een maal een expositie aan zijn werk gewijd. Dit is verwonderlijk omdat Mackenzie een van de leerlingen van Breitner was en in zijn werk sterk door zijn leermeester werd beÔnvloed. Zo groot zijn de overeenkomsten met het werk van Breitner, dat in de loop der jaren vele "Mackenzies" tot "Breitners" zijn getransformeerd.
 
biografische gegevens
Marie Henry Mackenzie werd op 3 augustus 1879 in Rotterdam geboren. Zijn vader was handelaar in koffie en thee en ook zijn zoon werd voorbereid op een carriŤre in de handel. In Rotterdam bezocht hij de Handelsschool en werd vervolgens op een kantoor geplaatst. Mackenzie bleek zich echter meer voor tekenen en schilderen te interesseren dan voor de handel. Zelf schreef hij hierover:" Zoodat mijn vader uit hoofde van mijn lust altijd te willen teekenen, mij naar de Rotterdamse Academie stuurde, waar ik onder Schipperus werkte". Om financiŽle redenen moest hij echter de Academie echter na anderhalf jaar weer verlaten. Hij keerde terug naar de handel in o.a. groente en fruit en werkte daarna achtereenvolgens voor verschillende oliemaatschappijen. Hierbij reisde hij veel door Rusland, Duitsland, Engeland en Schotland. Hij woonde 5 jaar in Londen en trad tenslotte in dienst van de Amerikaanse oliemaatschappij Standard Oil Company. Voor zijn werk verhuisde hij in 1910 van Rotterdam naar Amsterdam. Hier had hij veel vrije tijd en kon hij vele uren aan het schilderen wijden. Overdag zwierf hij door Amsterdam en maakte hij vele schetsen die hij later in zijn atelier uitwerkte. In de avonduren aquarelleerde hij. In Amsterdam woonde hij aanvankelijk aan de Amsteveenseweg, later verhuisde hij naar de Admiraal de Ruyterweg. In dit huis had hij een groot atelier op het noorden.
 
Behalve zijn eigen werk, hing hier ook werk van de Haagse schilders. Mackenzie had in de loop der jaren een grote collectie schilderijen van de Haagse School schilders aangelegd. Veel werk kocht hij op kunstveilingen. Zo had hij een collectie schilderijen van Louis Apol, maar ook bezat hij ongeveer 20 schilderijen en studies van Breitner.
 
In 1917 had Mackenzie kennis gemaakt met Breitner., zelf schreef hij aan H. van Calker over die vriendschap, die hieruit voortkwam: Ik was bevriend met Breitner. Wij kwamen vaak bij elkaar aan huis. Meermalen kocht ik studies van hem.
 
Een verslaggever van de Gooise Courant schreef in 1956, toen Mackenzie reeds geruime tijd in Hilversum woonde, het volgende over de collectie van de schilder: Wie voor de eerste maal te gast is van de kunstschilder M.H. Mackenzie waant zich in een museum of een kunsthandel. De gang en de huiskamers hangen vol schilderswerken, pastels,tekeningen en etsen. Maar het merendeel, ongeveer 400 werkstukken, waarvan 60 van kunstbroeders van de heer des huizen zijn op het zolder-atelier opgeborgen.
 
Pas in 1924, op 46 jarige leeftijd debuteerde Mackenzie met zijn werk. In 1923 was hij zowel door de Amsterdamse vereniging St. Lucas als door de vereniging 'De Onafhankelijken" als lid geaccepteerd. Hij debuteerde op de wintertentoonstelling van St. Lucas die in 1924 in het Stedelijk Museum in Amsterdam werd gehouden met twee schilderijen. Zelf schreef hij hierover aan H. van Calker: Tijdens mijn debuut met twee schilderijen op de St. Lucas, complimenteerde Prof. Jurres mij met de inzending van een vanuit mijn atelierraam te Amsterdam geschilderd doek "heiwerk aan de slatuinen", terwijl wijlen Prof. Krabbe naar mij toekwam en zei: "je hebt het motief verslonden als een leeuw die een stuk vleesch verslindt". Deze lovende woorden maakten diepe indruk op Mackenzie.
 
In Amsterdam woonde hij met zijn vrouw en twee kinderen aan de Admiraal de Ruyterweg. Dit was een  nieuwe buurt van Amsterdam met dure huurhuizen. Toen Mackenzie in 1931 tengevolge vande crisis door de Standart Oil Company werd ontslagen, besloot hij naar Hilversum te verhuizen, waar de huren aanzienlijk lager lagen. Tot zijn pensionering behield hij een uitkering van de maatschappij. Desalniettemin werd hij voor zijn inkomen meer afhankelijk van de verkoop van zijn schilderijen. Hij verkocht zijn werk d.m.v. verkoopexposities, maar voornamelijk door de verkoop direct aan verschillende kunsthandelaren.  Tijdens W.O. II ging hij er toe over zijn werk direct aan particulieren te verkopen.
 
Vanaf 1932 exposeerde Mackenzie regelmatig met de vereniging van Beeldende Kunstenaars in Hilversum, waarvan hij een van de mede-oprichters was. Behalve in Nederland nam Mackenzie ook deel aan tentoonstellingen in het buitenland. In 1938 exposeerde hij in Antwerpen, in 1940 in Brussel en in 1950 in Mexico.
 
Op 30 december 1961 overleed Mackenzie in Hilversum. Kort voor zijn dood had zijn leerling Jan Korthals nog een portret van hem geschilderd. 
 
het contact met Breitner
Mackenzie heeft altijd een grote bewondering gehad voor de schilder Breitner. Nadat hij zich in 1910 in Amsterdam had gevestigd en meer tijd had gekregen om te schilderen, richtte hij in 1917 een verzoek tot Breitner om een aantal lessen bij hem te mogen volgen. Het antwoord van Breitner luidde; het is heel moeilijk u antwoord te geven op wat u vraagt zonder iets van uw werk te hebben gezien. Ik wil daarom wel eens bij U komen kijken. Schikt het u zondagochtend tussen 11 en 12 uur?" . Dit leidde tot een vriendschap die tot Breitners dood in 1923 zou blijven bestaan. Beide schilders hebben nooit echt samengewerkt. Ze hebben nooit een atelier gedeeld en zijn er nooit samen op uit getrokken om te schilderen. Breitner gaf Mackenzie algemene adviezen betreffende kleurgebruik en de te kiezen onderwerpen. Doordat Mackenzie zo'n groot bewonderaar van Breitner's werk  was, liet hij zich sterk door hem beinvloeden.
 
Mackenzie kocht vaak studies van Breitner om deze uit zijn voortdurende financiŽle problemen te helpen. Ook leende hij geld aan Breitner en hield dan werk in onderpand, zoals blijkt uit een brief uit 1921 van Breitner aan Mackenzie: U zoudt mij een groot genoegen doen als U mij 150 gulden zou willen lenen voor de tijd van twee maanden. U kunt dan de schets van paarden op de brug zoolang als onderpand aanhouden. Bijna alle brieven die Breitner aan Mackenzie schrijft gaan over geld. Geld dat Breitner van hem zou lenen of had geleend. Breitner had grote financiŽle problemen in die tijd. Hij was veel ziek en kon minder werken
 
Breitners invloed op Mackenzie
H. van Calker schreef over de invloed van Breitner op het werk van Mackenzie het volgende: Deze grootmeester heeft stellig het werk van Mackenzie beÔnvloed, niet alleen wat betreft de keuze van onderwerpen, maar ook ten aanzien van de visie, welke hij op het stadsbeeld kreeg. Beide kunstenaars schilderden Amsterdam: de grachten, de binnenstad, de afbraak van het oude Amsterdam en de bouw van het nieuwe. Evenals Breitner zocht mackenzie zijn motieven steeds vaker in de binnenstad. In de schilderijen van Mackenzie spelen figuren echter een ondergeschikte rol. Hij schilderde de stegen, de grachten, waaronder het Kolkje en de boten in de grachten. Ook die gedeelten van de stad waar werd gebouwd hadden zijn belangstelling.

Ga terug