Kees Boendermaker (1904-1980)


Cornelis (Kees) Boendermaker, werd in 1904 in Amsterdam geboren. Hij woonde en werkte in Amsterdam, Bergen, Schoorl, Laren en uiteindelijk weer in Bergen. Kees Boendermaker maakte studiereizen naar Parijs, Boedapest, Praag en Bretagne.
 
Hij was leerling van de Kunstnijverheidsschool in Haarlem en van de Rijks Academie in Amsterdam. Was leerling van Leo Gestel  en Arnoud Colnot en schilderde stillevens en landschappen.
 
Werk van Kees Boendermaker is o.a. opgenomen in de Rijkscollectie.

 

Kees Boendermaker
Ontleend aan het boek de Bergensche School door D.A. Klomp, 1943
herinneringen aan de leden van de Bergensche School, een groep kunstenaars die zich na de Eerste Wereldoorlog in Bergen vestigden.
 
Kees Boendermaker werd in 1904 in Amsterdam geboren. Van nature is hij artistiek begaafd. Dit behoeft geen verwondering te wekken, want zijn vader, de bekende kunstverzamelaar P. Boendermaker was in zijn jeugd leerling van de Quellinius-school en maakte destijds niet onverdienstelijke caricaturen en kleurtekeningen. Kees Boendermaker beschikt niet alleen over schilderstalenten, maar is ook een niet onverdienstelijk musicus. In het ouderlijk huis leerde hij de schilders van de Bergensche School kennen en weldra kwam hij in de gelegenheid zijn picturalen aanleg te ontwikkelen.
 
Toen Kees Boendermaker de MULO achter zich had gelaten, wilde hij zijn schilderstalenten verder ontwikkelen. Hij ging uit praktische overwegingen eerst naar de Kunstnijverheidsschool in Haarlem, waar hij bijzonder goed met zijn medeleerlingen overweg kon. Door ziekte werd hij helaas gedwongen deze onderwijsinstelling te verlaten.  Onder leiding van Leo Gestel, die veel invloed op hem heeft gehad werkte hij na zijn ziekte enige maanden in de Beemster, om zich in het landschaptekenen te bekwamen. Gestel vertelde mij meermalen over de fantastische invallen van zijn leerling, die tot zijn dood met hem bevriend is gebleven, maar voor wien de zware intellectuele weg van Gestel te moeilijk was. De kunst ging bij Kees Boendermaker, zoals trouwens bij de meeste kunstenaars, meer langs de emotionele weg van het doorvoelen, dan langs de intellectuele weg van het denken.
 
Dichterlijk dromer en fantast als Kees Boendermaker was, voelde hij zich meer thuis bij de romantische dromer Colnot, dan bij de scherpe ontleder Gestel. Gestel was de man die altijd bezig was en ook anderen steeds tot arbeid aanspoorde. Om zich verder in het schilderen te bekwamen werd kees daarom een paar jaar later leerling van Colnot. Deze heeft op hem een kalmerende invloed uitgeoefend en het valt niet te ontkennen dat in die tijd het werk van Kees Boendermaker, die over het geheel zijn eigen dromen heeft gevolgd, aan dat van Colnot verwant was. Colnot begreep dat bij Boendemaker de boog niet altijd gespannen kon blijven, zag veel door de vingers en was tevreden, omdat Kees althans, in tegenstelling tot zovele andere leerlingen, talent had.
 
Zijn jeugdtekeningen verraden een bijzonder talent. Ze zijn fijn van kleur en vertonen een sterk decoratieve inslag. zijn vroege schilderwerk van landschappen en stillevens waren een verrassing voor zijn omgeving. Hij bleek zeer gelukkig in de keuze voor zijn motieven, die hij breed, met veel gevoel voor de juiste verdeling van accenten en kleuren opzette. Toen reeds gaf hij blijk van een aangeboren zin voor compositie, die hij later meer en meer ontwikkelde. Zijn fijne intu´tie en zijn dromerige fantasie, gevoed door een sterke spontaniteit, zijn uit zijn werk af te lezen.
 
Steeds meer ging hij schilderen en in de intimiteit van zijn atelier, vooral in het voorjaar en des zomers, idyllisch gelegen in de weelderige tuin, tussen bloeiende fruitbomen en kleurige bloembedden, leerde hij het mysterie zien van het levende leven der voorwerpen. Vaak waren daar bloemen bij. Vol vuur kon hij beginnen aan zijn doorgaans grote doeken. Zijn vlug afgewerkte stukken behoorden intussen tot zijn beste en levendigste. Hij gaat voortdurend vooruit. De vlakke vormen en  kleuren komen tot rijpheid en volheid. Zijn werk is steeds beschaafd en fijn, zonder daardoor aan kracht in te boeten.
 
Tijdens zijn studie aan de Academie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam ontwikkelde hij zich snel. Spoedig begon hem, die spelenderwijze bereikte, wat anderen grote inspanningen kostte, het dagelijks tekenen naar gipsmodel te vervelen. Steeds meer verzuimde hij de lessen. Het verzoek van Matthieu Wiegman hem te helpen bij het maken van de muurschilderingen in de Rozenkranskerk te Amsterdam werd dan ook met jeugdig enthousiasme aanvaard. Daar heeft hij hard gewerkt en veel van Matthieu Wiegman geleerd.
 
Sindsdien werkt Kees Boendermaker zelfstandig. De laatste jaren heeft hij zich van zijn vroege werk losgemaakt en is hij tot grote rijpheid gekomen, met een sterk persoonlijk karakter. Met het klimmen der jaren is hij, die voorheen vaak op anderen zijn verontwaardiging wist over te brengen, en die zelf al weer vergeten was, als de ander hier op wilde reageren, veel evenwichtiger en bezadigder geworden.
 
Zijn werk treft thans door grote eenvoud. Hij is niet op schittering uit, zegt in zijn schilderijen niet meer dan hij verantwoorden kan; hij streeft er naar door de grootste eenvoud zoveel mogelijk stemming in zijn schilderij te brengen en met zo weinig mogelijk middelen rust te bereiken Toch voelt hij zich niet tot de nieuwe zakelijkheid aangetrokken, omdat die naar zijn mening te koud is en de warme kleuren mist. Mijn werk ontstaat van binnen-uit, aldus Boendermaker, en naar mijn eigen smaak. Nooit heb ik er over nagedacht een andere richting te kiezen, al streef ik er naar mijn werk zo beschaafd mogelijk te maken. Van Gogh is in mijn ogen de grote voorganger; Jan Sluyters, de man met de grote capaciteiten, maar toch meer de bekwame vakman; Gestel was een mens met een buitengewone geest.
 
Naar mijn idee, zo zei hij verder,  moet men niet te veel argumenteren. Mijn werk vertoont een tragische inslag en dat is ook mijn doel, want als in een schilderij de tragiek ontbreekt, dan bevredigt het mij niet. Ik zit mij te verdiepen in de eenzaamheid en dan passeert er veel meer. In de eenzaamheid van een duinlandschap komt men dichter bij de natuur dan tijdens een wandeling in de stad, waar men afgeleid wordt. Ik erken dat men zich daarin niet te veel moet verdiepen, omdat men anders gevaar loopt, overspannen te worden, met als eindresultaat dat men in het geheel niet meer schilderen wil.
 
Met grote waardering sprak hij over zijn vader. In zijn jonge Jaren kon hij niet begrijpen waarom deze zo'n grote collectie aanlegde. Als elke jonge man was hij van oordeel dat de ouderen het niet goed deden. Thans beseft hij, dat zijn vader groot werk heeft gedaan en tot de belangrijke Nederlanders gerekend mag worden. Met lof spreekt hij over diens kijk op het werk en hij verheelt niet, dat hij veel aan hem te danken heeft.
 
Met het verenigingsleven bemoeit Boendermaker zich weinig. Een enkele keer exposeert hij als gast op de tentoonstellingen van de Hollandsche Kunstenaarskring. In 1939 hield hij in Galerie Roberts te Amsterdam een overzichtstentoonstelling van zijn werk, die in brede kring belangstelling trok en door de oud-directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam, de heer J.C. Baart werd geopend. Zijn werk kan men regelmatig bewonderen in de kunstzaal van zijn vader te Bergen, in het Stedelijk Museum Maastricht, het Stadhuis te Baarn en dat van Heemskerk.
 
naar D.A. Klomp
Bergen 1943

 

 

Ga terug