Arnold Marc Gorter (1866-1933)

  • winters bosgezicht, "november".
  • olieverf op paneel, 28 x 38 cm.                         VERKOCHT
Arnold marc Gorter: Ambt-Almelo 1866-Amsterdam 1933 

Gorter woonde en werkte vooral in Amsterdam. Hij was leerling van de Rijksnormaalschool voor tekenonderwijs en behaalde de akte MO-tekenen in 1888. Studeerde verder aan de Rijksacademie te Amsterdam. Is een van de belangrijkste landschapschilders, die meermalen zijn motieven ontleende aan het natuurschoon van Twente, Drente en de Achterhoek. Gorter kreeg veel onderscheidingen en gaf les en raadgevingen aan Kon. Wilhelmina. Werk is o.a. opgenomen in de collecties van het Haags Gemeente museum, Museum De Lakenhal in Leiden, het Zeeuws museum en het Rijksmuseum Twente.

                                                               

De waardering voor het werk van Arnold Mark Gorter ontstond in 1910, toen zijn winterlandschap op de  Parijse Salon een gouden medaille verwierf. Een tweede hoogtepunt bereikte Gorter in 1923 toen hij werd benoemd tot “Membre Correspondent de l’Institut de France”, een onderscheiding, die slechts een zeer beperkt aantal buitenlandse schilders ten deel is gevallen.

Gorter ontwikkelde zich tot een landschapschilder met een bijzondere voorkeur voor Oost-Nederlandse motieven. Vooral de verstilde natuur, waarin iedere dynamiek ontbreekt, inspireerde hem in hoge mate. Deze artistieke uitingen vonden, mede door de aangename kleurconsonanties spoedig aansluiting bij de door contemporaine kunstkritiek en kunsthandel gekanaliseerde publieke smaak.  Binnen dit thema wijzigde hij met grote virtuositeit en een opmerkelijk compositorisch vermogen  het stemmingsmoment. Het oeuvre van Gorter is dan ook in stilistisch opzicht consistent van karakter. Wat zijn voorkeuren voor weersomstandigheden en seizoenen betreft, sluit Gorter aan bij de Haagse School.

Gorter maakte vele voorstudies voor zijn werk buiten in de natuur, die hij later in zijn atelier uitwerkte. Het ging Gorter vooral om de weergave van de natuur in al haar veranderende verschijningsvormen en steeds wisselende nuances bij dag, schemering of nacht. Gorter voltooide zijn buitenstudies vaak binnen anderhalf uur. Aanvankelijk in een naturalistische trant, maar al spoedig in een hele vlotte, meer impressionistische trant. Dragen de voorstellingen in het begin  soms nog een sober karakter- vaak in sterke mate bepaald door het gebruik van aardkleuren- later domineert het donkergroen het kleurengamma. Hiermee wijkt hij ook af van de principes van de Haagse School. Gorter heeft de lokale kleuren niet willen opofferen aan de warm-grijze toon. Toch bewonderde Gorter de vertegenwoordigers in deze kunstrichting zeer en in zijn werk zijn vele overeenkomsten aan te wijzen met bijv. Willem Roelofs en Willem Maris.

Gorter was geobsedeerd door de verstilde natuur en vooral door het voor- en najaar, waarin de lichtintensiteit nog niet, of niet meer, de zomerse waarde had. Veel van zijn motieven zijn te vinden in Twente, de Achterhoek en Drente. De meest voorkomende onderwerpen zijn landschappen met bomen, doorsneden door kronkelende beekjes, of landweg en oeverlandschappen. Een steeds weer terugkerend verschijnsel op Gorters werk is de berk. Door de witte schors steekt deze vaak af tegen zijn omgeving en vormt zodoende een natuurlijk evenwicht binnen de compositie.

In 1922 maakte Gorter een studiereis met koningin Wilhelmina, waarbij hij een aanzienlijk aantal Noorse werkstukken maakte, die een bijzondere plaats binnen zijn oeuvre innemen omdat ze allemaal scherp en precies in helder koloriet zijn weergegeven. 

                                        

Ga terug